ECLI:NL:CRVB:2005:AS6548
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- K. Zeilemaker
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Blijvende weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag zonder gegronde reden
Appellante was werkzaam als horecamedewerkster bij een werkgever tot zij op 13 augustus 2001 ontslag nam. Vervolgens werkte zij kort via een uitzendbureau bij een andere werkgever, maar stopte vanwege gezondheidsklachten. Zij vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid, omdat zij zonder gegronde reden ontslag had genomen uit haar voorlaatste dienstverband.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad overwoog dat appellante geen acuut noodzaak had om ontslag te nemen, ondanks haar argumenten over werkdruk, angstgevoelens door overvallen en junks bij de snackbar, en dat zij redelijkerwijs had kunnen blijven werken.
De Raad stelde vast dat appellante geen ander dienstverband had kunnen verkrijgen voorafgaand aan haar ontslag, maar dat dit haar niet vrijstelde van verwijtbaarheid. De weigering van de WW-uitkering werd daarom gehandhaafd, conform artikel 27 van Pro de WW. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.