ECLI:NL:CRVB:2005:AS6571
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel korting WW-uitkering wegens niet behouden passende arbeid door eigen toedoen
Appellant was timmerman en werd werkloos per 29 oktober 2001. Hij aanvaardde via Randstad uitzendbureau passende arbeid, maar nam ontslag vanwege de zorg voor zijn kinderen en bezwaren tegen het vroege begin van het werk en het loon. Gedaagde legde een maatregel op van 35% korting op de WW-uitkering gedurende 26 weken wegens het niet behouden van passende arbeid door eigen toedoen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant de verplichting uit artikel 24 WW Pro niet was nagekomen, maar dat hem niet in overwegende mate verwijtbaar was dat hij zijn arbeid niet behield. De Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat de werkzaamheden passend waren, dat appellant de bezwaren had kunnen ondervangen door later te beginnen, en dat het loon hoger was dan de uitkering.
De Raad wijst het beroep op het evenredigheidsbeginsel af omdat de maatregel dwingend is voorgeschreven door de WW. Ook ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van de maatregel op grond van een benadelingshandeling rechtvaardigen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.
Uitkomst: De korting van 35% op de WW-uitkering gedurende 26 weken wegens niet behouden passende arbeid door eigen toedoen wordt bevestigd.