ECLI:NL:CRVB:2005:AS6804
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- P.J. Stolk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluiten over maatmaninkomen en toepassing WAO en AAW met terugwerkende kracht
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het UWV waarin zijn uitkeringen op grond van de WAO en AAW werden aangepast vanwege inkomsten uit arbeid in de periode 1996 tot en met 2000. De rechtbank verklaarde deze beroepen ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het maatmaninkomen onjuist was vastgesteld en dat de besluiten in strijd waren met het rechtszekerheidsbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV het maatmaninkomen steeds heeft vastgesteld op basis van indexering van het oorspronkelijke maatmaninkomen per einde wachttijd in 1987. De door appellant aangevoerde onderbouwing was onvoldoende om aan te tonen dat het maatmaninkomen onjuist was vastgesteld. Bovendien kon niet worden aangenomen dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met alle relevante inkomstenbestanddelen.
Ten aanzien van de terugwerkende kracht van de toepassing van artikelen 33 AAW en 44 WAO oordeelde de Raad dat deze in principe in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, maar dat een uitzondering geldt indien appellant redelijkerwijs kon weten dat inkomsten uit arbeid van invloed zijn op de uitkering. Deze uitzondering was hier van toepassing. Het tijdsverloop was onvoldoende om toepassing van deze dwingendrechtelijke bepalingen te verhinderen.
De Raad bevestigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de besluiten van het UWV worden bevestigd.