ECLI:NL:CRVB:2005:AS7168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet gegrond
Appellante ontving sinds 1982 een bijstandsuitkering. Na een heronderzoek ontstond het vermoeden dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-echtgenoot, wat leidde tot een fraudeonderzoek met dossieronderzoek, huisbezoek en verklaringen. Gedaagde schortte de uitkering op en trok deze later in, met terugvordering van kosten.
De Raad oordeelt dat de opschorting terecht was vanwege het niet tijdig verstrekken van gevraagde gegevens. Echter, de intrekking van de uitkering en terugvordering berustten niet op een deugdelijke feitelijke grondslag, omdat onvoldoende is vastgesteld dat sprake was van gezamenlijke huishouding. Observaties en verklaringen wezen niet overtuigend op samenwoning.
Daarom vernietigt de Raad het besluit tot intrekking en terugvordering over de periode eind juni 2000 en herroept de besluiten van gedaagde. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard voor het deel over het buiten behandeling stellen van een aanvraag. De gemeente Utrecht wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand werden vernietigd en herroepen wegens onvoldoende feitelijke grondslag, terwijl de opschorting werd bevestigd.