ECLI:NL:CRVB:2005:AS8223
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- H.J. de Mooij
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) als alleenstaande ouder. De gemeente vermoedde dat zij een gezamenlijke huishouding voerde en startte een onderzoek. Op basis van het rapport van de sociale recherche werd het recht op bijstand vanaf 1 juni 2002 beëindigd vanwege het niet melden van een gezamenlijke huishouding met de heer W. V.
De rechtbank en de Raad bevestigden dat appellante en W. V. feitelijk samenwoonden, ondanks het aanhouden van twee adressen, en dat zij zorg droegen voor elkaar, onder meer door financiële verstrengeling en samenwonen. Appellante voerde aan dat zij niet samenwoonde en dat haar verklaring aan de sociale recherche onder druk was afgelegd, maar de Raad vond geen aanwijzingen dat deze verklaring onjuist was.
De Raad oordeelde dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden en dat de gemeente terecht de bijstand had ingetrokken en teruggevorderd. Er waren geen dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding wordt bevestigd.