ECLI:NL:CRVB:2005:AS8269
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling medische aspecten bij toekenning WAO-uitkering na lage rugklachten
Appellant, die sinds november 2000 wegens lage rugklachten arbeidsongeschikt is, vroeg in augustus 2001 een WAO-uitkering aan. Het aanvankelijke besluit van het UWV wees dit af wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank die het besluit vernietigde, kende het UWV bij een nieuwe beslissing op bezwaar in maart 2003 een uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% per 12 november 2001.
In hoger beroep richtte appellant zich uitsluitend op de medische aspecten van deze vaststelling en betwistte hij de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. Hij stelde dat zijn klachten, waaronder pijn na een hernia-operatie, onvoldoende waren meegewogen. Een medisch rapport van een externe adviseur stelde dat appellant volledig arbeidsongeschikt was, maar dit rapport was niet toegespitst op de situatie per 12 november 2001 en onvoldoende onderbouwd.
De Raad concludeerde dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig te werk waren gegaan, dat het belastbaarheidsprofiel adequaat was vastgesteld en dat het rapport van de externe adviseur onvoldoende aanleiding gaf tot twijfel aan het oordeel van het UWV. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond, waarmee de WAO-uitkering op basis van 15-25% arbeidsongeschiktheid per 12 november 2001 in stand blijft.