ECLI:NL:CRVB:2005:AS8588
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens ontbreken verzekeringsstatus en tewerkstellingsvergunning
Gedaagde diende meerdere aanvragen in voor verblijf en tewerkstellingsvergunningen, waarvan de verblijfsvergunning uiteindelijk met ingang van 3 januari 2000 werd toegekend. Appellant, de Sociale verzekeringsbank, weigerde kinderbijslag vanaf het derde kwartaal 1998 en het eerste kwartaal 2000, omdat gedaagde niet verzekerd was ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en geen tewerkstellingsvergunning had op de peildatum.
De rechtbank had het beroep van gedaagde gegrond verklaard, stellende dat gedaagde in een gelijke situatie verkeerde als in eerdere uitspraken en dat hij met actieve instemming van de Nederlandse overheid een zekere mate van inburgering had verworven. De Raad oordeelt echter dat gedaagde vanaf 1 juli 1998 definitief negatief is beslist op zijn verzoek om toelating, waardoor hij volledig onder de werking van de Koppelingswet valt en niet verzekerd is.
De Raad stelt vast dat de situatie op de peildatum bepalend is voor de aanspraak op kinderbijslag en dat gedaagde op die datum niet rechtmatig verbleef noch beschikte over een tewerkstellingsvergunning. De eerdere positieve beoordeling van de rechtbank wordt daarom vernietigd en het inleidend beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd; gedaagde heeft geen recht op kinderbijslag.