ECLI:NL:CRVB:2005:AS8595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake terugvordering WAO-uitkering naast Oostenrijks pensioen
Appellant ontving vanaf 1 maart 1998 een voorlopig invaliditeitspensioen van de Oostenrijkse Pensionsversicherungsanstalt der Arbeiter te Wenen. Tegelijkertijd ontving hij een WAO-uitkering van het UWV, die werd verminderd met het Oostenrijkse pensioenbedrag. Het UWV vorderde vervolgens onverschuldigd betaalde bedragen terug over de periode 1 maart 1998 tot en met 30 april 2000.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de terugvordering ongegrond, waarbij werd gewezen op de dwingendrechtelijke aard van de nationale anticumulatieregel en de toepassing van artikel 46, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 1408/71. Appellant voerde aan dat de berekening onjuist was en dat het Oostenrijkse pensioen niet ter zake van dezelfde arbeidsongeschiktheid was toegekend.
De Raad overwoog dat het UWV terecht het Oostenrijkse pensioen veertien maal per jaar in aanmerking had genomen en dat er geen aanwijzingen waren dat het pensioen niet gerelateerd was aan dezelfde arbeidsongeschiktheid. Tevens was geen sprake van dringende redenen om af te zien van terugvordering. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond, met terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkeringen bevestigd.