ECLI:NL:CRVB:2005:AT0331
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering en medische beperkingen appellant
Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn WAO-uitkering waarbij zijn arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 25-35%, later verhoogd naar 55-65%. De rechtbank vernietigde het eerste besluit, waarna een nieuw besluit (bestreden besluit 2) werd genomen. Appellant betwistte de medische beoordeling en de geschiktheid van de voorgestelde functies.
De Raad overwoog dat de medische gegevens, waaronder rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, voldoende steun boden voor het oordeel dat de beperkingen niet waren onderschat. Het rapport van een externe deskundige bood geen overtuigende medische onderbouwing om het belastbaarheidspatroon te herzien.
De Raad oordeelde dat appellant geacht moet worden de voorgestelde functies te kunnen uitoefenen en dat de loonkundige aspecten van de schatting geen onzorgvuldigheden vertoonden. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 werd daarom ongegrond verklaard.
Daarnaast veroordeelde de Raad het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot het betalen van wettelijke rente over de na te betalen uitkering en tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 25 februari 2005.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit 2 wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.