ECLI:NL:CRVB:2005:AT0926
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid zonder verminderde verwijtbaarheid
Appellant was sinds december 1999 in dienst als monteur en meldde zich begin 2000 ziek. De werkgever beëindigde de arbeidsovereenkomst per januari 2000. Vanaf mei 2000 werd appellant medisch hersteld verklaard, maar hij hervatte zijn werkzaamheden niet. Gedaagde weigerde daarom de WW-uitkering vanaf mei 2000 wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat hij geen passende arbeid heeft behouden en onvoldoende actie heeft ondernomen om werkloosheid te voorkomen. Appellant voerde aan dat hij niet geschikt was voor zijn oorspronkelijke werkplek, maar dit werd niet ondersteund door medische gegevens.
De Raad overwoog dat appellant terecht als verwijtbaar werkloos is aangemerkt omdat hij zich na herstel niet bij zijn werkgever heeft gemeld, ondanks dat hij niet medisch ongeschikt was. Er zijn geen feiten of omstandigheden die een verminderde verwijtbaarheid rechtvaardigen. Het bestreden besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt bevestigd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd vanaf 15 mei 2000 wegens verwijtbare werkloosheid zonder verminderde verwijtbaarheid.