ECLI:NL:CRVB:2005:AT2678
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling korting WW-uitkering wegens benadelingshandeling en verplichtingen werknemer
De zaak betreft beroepen van gedaagden tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) waarin een korting van 30% op hun WW-uitkering werd toegepast wegens een vermeende benadelingshandeling. Deze korting werd opgelegd omdat gedaagden onvoldoende voortvarend en gericht actie zouden hebben ondernomen om betaling van vakantierechten, risico- en pensioenpremies door hun werkgever af te dwingen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de beroepen tegen de besluiten van 3 juli 2001 niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat gedaagden nog wel belang hadden bij een inhoudelijke beoordeling. De Raad stelt vast dat gedaagden niet voldeden aan hun verplichting om de werkgever tijdig in rechte te betrekken nadat mondelinge aanmaningen niet hadden geleid tot betaling.
Hoewel gedaagden aanvoerden dat het dagvaarden van de werkgever faillissement zou veroorzaken en de overname van de onderneming zou belemmeren, acht de Raad dit onvoldoende om verwijtbaarheid uit te sluiten. De Raad verklaart de beroepen tegen de besluiten van 3 juli 2001 gegrond en vernietigt deze besluiten, terwijl de beroepen tegen de besluiten van 30 augustus 2001 ongegrond worden verklaard. Tot slot veroordeelt de Raad het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling vanaf 1 mei 2001 en tot betaling van proceskosten aan gedaagden.
Uitkomst: De Raad vernietigt de besluiten van 3 juli 2001, handhaaft de korting van 30% uit de besluiten van 30 augustus 2001, en veroordeelt het Uwv tot rentevergoeding en proceskosten.