ECLI:NL:CRVB:2005:AT2864
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en toepassing ongehuwdennorm bij Anw- en AOW-uitkeringen
Appellanten ontvingen vanaf 1992 respectievelijk 1994 een Anw-uitkering naar de ongehuwdennorm. Na melding van een kostgangersrelatie in 1995 stelde de uitkeringsinstantie vast dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, waarop de uitkeringen werden aangepast. Appellanten gingen in bezwaar en procedure, waarbij onder meer de hulpbehoevendheid en de aard van de relatie centraal stonden.
De Raad constateert dat de besluiten die de gezamenlijke huishouding vaststellen onherroepelijk zijn geworden, aangezien geen bezwaar werd gemaakt tegen het besluit van 27 januari 1998. Vanaf 12 november 1999 woonden appellanten opnieuw samen, wat het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding bevestigt. De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en benadrukt dat een kostgangersrelatie niet gelijkstaat aan een gezamenlijke huishouding in de zin van de Anw en AOW.
De rechtbank had eerder de beroepen tegen besluiten van de uitkeringsinstantie deels gegrond verklaard vanwege het ontbreken van een motivering over het gelijkheidsbeginsel. De Raad bevestigt echter dat appellanten voor de toepassing van de Anw en AOW als samenwonenden moeten worden aangemerkt. De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de eerdere uitspraken, zonder proceskostenveroordeling in hoger beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren en wijst het hoger beroep af.