ECLI:NL:CRVB:2005:AT2946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging verplichte verzekering wegens geen rechtmatig verblijf
Appellant was verplicht verzekerd voor de sociale werknemersverzekeringswetten totdat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) bij besluit van 25 oktober 2000 met terugwerkende kracht tot 1 juli 1998 de verzekering beëindigde wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland. Dit besluit werd gehandhaafd bij een besluit van 27 april 2001 en door de rechtbank Rotterdam bevestigd in juli 2002.
Appellant kwam in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep en het onderzoek werd heropend na een zitting in juli 2004. Naar aanleiding van een vraag van de Raad bevestigde het Uwv in augustus 2004 dat een eerdere uitspraak van de Raad gevolgen had voor deze zaak, waarna het Uwv het besluit wijzigde door de verzekering te beëindigen per 26 oktober 2000.
De Raad oordeelde dat appellant geen belang meer had bij de beoordeling van het eerdere besluit en verklaarde hem niet-ontvankelijk in dat hoger beroep. Het beroep tegen het besluit van 21 september 2004 werd ongegrond verklaard. De Raad verwierp tevens de beroepen van appellant op internationale verdragen en bepaalde dat het besluit geen betrekking heeft op een eventuele Ziektewetuitkering. Het Uwv werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de verzekering wordt beëindigd per 26 oktober 2000 wegens geen rechtmatig verblijf.