ECLI:NL:CRVB:2005:AT3095
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering na beëindiging arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden
Appellant was sinds 1 maart 2002 in dienst bij een werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 5 september 2002 vroeg hij een WW-uitkering aan nadat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2002 was beëindigd. Gedaagde weigerde de uitkering omdat de arbeidsovereenkomst volgens hen niet rechtsgeldig was beëindigd en appellant nog recht had op loon.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat onvoldoende was aangetoond dat de dienstbetrekking was geëindigd. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelt dat uit de stukken voldoende blijkt dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 september 2002 is beëindigd, omdat de werkgever en appellant dit mondeling hadden besproken in verband met de verkoop van de zaak en het ontbreken van werk. Hierdoor bestond geen recht meer op loonbetaling en was de weigering van de WW-uitkering onterecht.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit moet nemen. Tevens veroordeelt de Raad het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen, met vergoeding van proceskosten aan appellant.