ECLI:NL:CRVB:2005:AT3940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering toeslag op grond van de Toeslagenwet
De zaak betreft een geschil over de terugvordering van een teveel betaalde toeslag aan gedaagde, toegekend op grond van de Toeslagenwet (TW). Appellant, het UWV, vorderde terugbetaling van € 2.252,69 over de periode van 1 maart tot en met 30 september 2001, gebaseerd op een herzieningsbesluit van 2 oktober 2001. Gedaagde voerde aan dat zij geen teveel toeslag had ontvangen.
De rechtbank Breda verklaarde het beroep van gedaagde gegrond en oordeelde dat de terugvordering niet zonder meer op de onherroepelijke herzieningsbesluiten mocht worden gebaseerd, mede vanwege het ontbreken van een inzichtelijke berekening door appellant. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank een onjuiste toetsingsregel hanteerde en dat de terugvordering verplicht was op grond van artikel 20 TW Pro.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat, nu het herzieningsbesluit onherroepelijk is geworden, de rechtmatigheid ervan niet meer ter beoordeling staat. De verplichting tot terugvordering volgt rechtstreeks uit artikel 20, eerste lid, TW. De Raad stelde vast dat de terugvordering in overeenstemming is met het herzieningsbesluit en dat geen dringende redenen tot afzien van terugvordering zijn gesteld.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank Breda en verklaarde het beroep ongegrond. Daarmee werd bevestigd dat de terugvordering van teveel betaalde toeslag verplicht is na een onherroepelijk herzieningsbesluit, ook indien de berekening niet nader is toegelicht in het bestreden besluit.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de teveel betaalde toeslag wordt bevestigd.