ECLI:NL:CRVB:2005:AT4006
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.Th. Wolleswinkel
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Verbod op gelaatspiercing voor politiefunctionaris tijdens diensttijd niet als besluit aan te merken
Appellant, een politiefunctionaris in opleiding bij de politieregio Amsterdam-Amstelland, kreeg te horen dat het dragen van een zichtbare piercing tijdens diensttijd niet was toegestaan. Hiertegen werd bezwaar gemaakt, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond.
Appellant voerde aan dat het verbod niet kon worden gebaseerd op de algemene beheerstaak van de korpsbeheerder, omdat er geen specifieke regeling bestond. Ook stelde hij dat het verbod inbreuk maakte op zijn grondrechten, waaronder het recht op eerbiediging van zijn privéleven en persoonlijke levenssfeer. Daarnaast wees appellant op de jonge samenstelling van het korps en stelde dat een gelaatspiercing niet per definitie afbreuk doet aan representativiteit en autoriteit.
De Raad oordeelde dat het verbod geen aantasting van grondrechten inhoudt, omdat het alleen tijdens diensttijd geldt en het sieraad niet bepalend is voor de persoonlijke identiteit van appellant. Het verbod is een normaal sturingsmiddel binnen de interne verhoudingen en geen besluit in de zin van de Awb, waardoor bezwaar en beroep niet ontvankelijk zijn. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het verbod op het dragen van een gelaatspiercing tijdens diensttijd is niet-ontvankelijk verklaard omdat het verbod geen besluit in de zin van de Awb is.