ECLI:NL:CRVB:2005:AT4817
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit en uitspraak over WW-uitkering na ontbinding arbeidsovereenkomst zonder zitting
Appellante was sinds 1988 in dienst bij Stichting Maartenshof en werd in mei 2001 door de kantonrechter ontslagen wegens onvoldoende functioneren, zonder dat partijen mondeling konden reageren. De WW-uitkering werd toegekend vanaf 17 mei 2001, maar geheel geweigerd over de periode tot 1 augustus 2001 vanwege een zogenoemde fictieve opzegtermijn.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij de ontbinding had bestreden en geen gelegenheid had gehad om een vergoeding of opzegtermijn te bespreken. De Raad overweegt dat het niet vragen van een vergoeding of opzegtermijn in de ontbindingsprocedure geen benadelingshandeling oplevert en dat de kantonrechter ook zonder verzoek een vergoeding kan toekennen.
De Raad oordeelt echter dat de ontbinding zonder zitting en toelichting is gebeurd, waardoor appellante haar standpunt niet kon aanvullen. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en de uitspraak, beveelt een nieuw besluit op bezwaar en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak worden vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot een nieuw besluit met vergoeding van proceskosten.