ECLI:NL:CRVB:2003:AN8435
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Geen benadelingshandeling door niet vragen ontbindingsvergoeding bij WW-uitkering
Appellant was productiemanager bij een werkgever met een tijdelijk dienstverband dat na evaluatie werd verlengd. De werkgever verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 maart 1999. De kantonrechter ontbond de overeenkomst zonder toekenning van een vergoeding aan appellant, mede omdat appellant voldoende gelegenheid had om te solliciteren.
Gedaagde (Uwv) weigerde vervolgens de WW-uitkering over maart 1999 wegens een vermeende benadelingshandeling, omdat appellant geen schadevergoeding bij de kantonrechter had geëist. De rechtbank oordeelde dat appellant een benadelingshandeling had gepleegd, omdat de kans op toekenning van een vergoeding overwegend positief was.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en het bestreden besluit. De Raad stelt dat de kantonrechter ambtshalve heeft overwogen dat geen vergoeding toekomt en dat het niet vragen van een vergoeding niet automatisch een benadelingshandeling inhoudt. De Raad wijst op de relevante wetsartikelen en eerdere jurisprudentie, en veroordeelt gedaagde in de proceskosten.
Uitkomst: Appellant heeft geen benadelingshandeling gepleegd door niet om een ontbindingsvergoeding te verzoeken; het bestreden besluit wordt vernietigd.