ECLI:NL:CRVB:2005:AT5072
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- R.M. van Male
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding en juiste herzieningsdatum
Appellanten ontvingen beiden een AOW-pensioen volgens de ongehuwdennorm. Na meldingen over het voeren van een gezamenlijke huishouding, stelde de Sociale verzekeringsbank een onderzoek in met huisbezoek, getuigenverhoren en observaties. De bank concludeerde dat appellanten vanaf 1 oktober 1994 een gezamenlijke huishouding voeren en herzag hun pensioenen naar de gehuwdennorm met verschillende ingangsdata.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond, waarna hoger beroep volgde. De Raad beoordeelde of de rechtbank bevoegd was en oordeelde bevestigend. Vervolgens onderzocht de Raad of de herziening terecht was, waarbij werd vastgesteld dat appellanten feitelijk samenwoonden ondanks inschrijving op verschillende adressen. Dit bleek uit verklaringen, huisbezoek en gezamenlijke financiële en sociale activiteiten.
De Raad stelde vast dat aan het criterium van wederzijdse zorg werd voldaan, gezien gezamenlijke huishoudelijke taken, gezamenlijke rekeningen en gezamenlijke vakanties. De stelling van appellanten dat herziening niet eerder dan 1998 kon ingaan, werd verworpen omdat de bank toen niet over alle feiten beschikte.
De Raad bevestigde dat appellanten als gehuwden moeten worden aangemerkt en dat de herziening per 1 augustus 1996 terecht is. Het verzoek om schadevergoeding en proceskosten werd afgewezen. De uitspraak van de rechtbank Maastricht werd bevestigd.
Uitkomst: De herziening van het AOW-pensioen per 1 augustus 1996 naar de gehuwdennorm wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.