ECLI:NL:CRVB:2005:AT5209
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fictieve opzegtermijn bij aanvraag WW-uitkering na ontslag in proeftijd
Gedaagde trad op 1 mei 1998 in dienst bij een werkgever en sloot later een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een nieuwe werkgever met een proeftijd van een maand. Tijdens deze proeftijd werd de arbeidsovereenkomst beëindigd en ontving gedaagde een extra maand salaris als vergoeding. Gedaagde vroeg een WW-uitkering aan per 1 maart 2002. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) weigerde de uitkering vanaf die datum toe te kennen omdat loon was doorbetaald tot 31 maart 2002, en kende de uitkering toe vanaf 1 april 2002.
De rechtbank stelde gedaagde in het gelijk en oordeelde dat de vergoeding niet aan een fictieve opzegtermijn kon worden toegerekend omdat ontslag in de proeftijd geen opzegtermijn kent en de vergoeding een coulancebetaling was. In hoger beroep stelde het UWV dat de vergoeding wel als inkomsten in verband met beëindiging dienstbetrekking moet worden beschouwd en dat de fictieve opzegtermijn ook bij ontslag in de proeftijd geldt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de vergoeding moet worden aangemerkt als inkomsten in verband met beëindiging van de dienstbetrekking. Echter, omdat bij een proeftijd de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang kan worden opgezegd en artikel 7:672 BW Pro niet van toepassing is, bestaat er geen rechtens geldende opzegtermijn. Hierdoor is geen basis voor een fictieve opzegtermijn en is de uitkering terecht toegekend vanaf 1 april 2002. De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De WW-uitkering gaat in per 1 maart 2002 zonder toepassing van een fictieve opzegtermijn bij ontslag in de proeftijd.