ECLI:NL:CRVB:2005:AT5214
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Onvolledige aanvraag bij weigering medisch onderzoek in WAO-uitkering
Appellante was sinds juli 2001 arbeidsongeschikt verklaard na een arbeidsconflict en ontving een Ziektewetuitkering. Na medisch onderzoek op 22 april 2002 werd zij hersteld verklaard en per 23 april 2002 werd het ziekengeld stopgezet. Een bezwaarverzekeringsarts bevestigde dat er geen objectieve medische klachten meer waren.
Appellante diende vervolgens een aanvraag in voor een WAO-uitkering, maar weigerde telkens te verschijnen voor medisch onderzoek. Het UWV besloot daarom de aanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 4:5 Awb Pro wegens het ontbreken van een medische beoordeling. Dit besluit werd in eerste aanleg bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat artikel 4:5 Awb Pro niet van toepassing is bij weigering om medisch onderzoek te ondergaan, omdat dit artikel ziet op herstelbare gebreken in de aanvraag zelf. Het UWV had andere instrumenten, zoals artikel 25 WAO Pro, om gevolgen te verbinden aan het niet verschijnen voor onderzoek. Daarom vernietigt de Raad het besluit tot niet-behandeling van de WAO-aanvraag en beveelt een nieuwe beslissing.
Tegelijkertijd bevestigt de Raad het eerdere oordeel dat appellante vanaf 23 april 2002 niet langer arbeidsongeschikt was en dus geen recht op Ziektewetuitkering meer had. De Raad wijst ook op de mogelijkheid om op basis van beschikbare medische gegevens een besluit te nemen na de wachttijd van 52 weken.
Tot slot wordt bepaald dat het UWV aan appellante het betaalde bedrag van €102,- in de WAO-zaak moet vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot niet-behandeling van de WAO-aanvraag wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard, terwijl het besluit tot stopzetting van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.