ECLI:NL:CRVB:2005:AT5538
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na verhuizing
Appellante had haar dienstbetrekking opgezegd vanwege een verhuizing die het gevolg was van de baanwisseling van haar echtgenoot. De verhuizing vond plaats in juni 2002, terwijl het dienstverband per 1 april 2002 eindigde. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) weigerde de WW-uitkering omdat de beëindiging van het dienstverband te vroeg was ten opzichte van de verhuisdatum, waardoor appellante verwijtbaar werkloos zou zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat de periode tussen ontslag en verhuizing meer dan twee maanden bedroeg, wat niet voldeed aan de eis dat de dienstbetrekking zo lang mogelijk moet worden voortgezet. Appellante voerde aan dat een bouwstaking de verhuizing vertraagde, waardoor de te vroege beëindiging haar niet in overwegende mate kan worden verweten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante redelijkerwijs heeft geprobeerd de periode tussen ontslag en verhuizing te beperken en dat de bouwstaking een onvoorziene omstandigheid is die de te vroege beëindiging niet in overwegende mate aan haar kan worden toegerekend. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen, inclusief een beoordeling van het verzoek tot vergoeding van renteschade.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.