ECLI:NL:CRVB:2004:AR4707
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid bij verhuizing
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, beëindigde haar dienstverband per 1 augustus 2001 vanwege een aanstaande verhuizing naar een andere woonplaats, veroorzaakt door de werkkring van haar echtgenoot. Zij vroeg op 11 juli 2001 een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op 18 september 2001 geheel werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank Zutphen verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij het dienstverband niet zo lang mogelijk had voortgezet en dat de situatie niet vergelijkbaar was met eerdere jurisprudentie. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat het Uwv onvoldoende rekening had gehouden met het reële belang van de verhuizing en dat zij niet was gewezen op de termijn van één maand tussen ontslag en verhuizing.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en dat het Uwv bij de beoordeling alle relevante feiten en omstandigheden had moeten betrekken, waaronder het reële belang van de baanwisseling en de redelijkheid van het heen en weer reizen. De Raad vernietigde het besluit en bepaalde dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, waarbij ook het verzoek tot vergoeding van renteschade betrokken moet worden. Tevens werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot blijvende volledige weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het Uwv moet een nieuw besluit nemen.