ECLI:NL:CRVB:2005:AT5843
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. ’t Hooft
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1985 een bijstandsuitkering, die vanaf 1996 onder de Algemene bijstandswet viel. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de gemeente Ede een onderzoek naar een vermeende gezamenlijke huishouding tussen appellante en haar voormalige echtgenoot, appellant, wat zij niet had gemeld. Dit leidde tot besluiten tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering.
De Raad oordeelt dat de besluiten niet uitsluitend gebaseerd mochten worden op samenvattingen van processen-verbaal, maar dat het bestuursorgaan de volledige authentieke stukken had moeten inzien. Omdat dit niet gebeurde, zijn de besluiten in strijd met artikel 3:2 Awb Pro tot stand gekomen en worden de besluiten vernietigd.
Desondanks bevestigt de Raad dat appellante vanaf 1 november 1995 een gezamenlijke huishouding voerde en daarmee haar inlichtingenverplichting schond. Hierdoor had zij geen recht op bijstand als alleenstaande ouder en was de intrekking en terugvordering terecht. De rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten blijven daarom in stand.
Het verzoek van appellante tot schadevergoeding wordt afgewezen. De Raad veroordeelt de gemeente Ede tot betaling van proceskosten aan appellanten en tot vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Besluiten tot intrekking en terugvordering bijstand vernietigd wegens procedurele tekortkomingen, maar rechtsgevolgen blijven in stand.