ECLI:NL:CRVB:2005:AT6009
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- C. van Viegen
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opschorting bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en bezit onroerende zaken in buitenland
Appellanten ontvingen sinds 1 oktober 1999 een bijstandsuitkering. Naar aanleiding van een melding dat zij onroerende zaken in het buitenland bezaten, werd een onderzoek ingesteld door een medewerker van het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade. Dit onderzoek leidde tot een rapport waarin werd vastgesteld dat appellanten twee appartementen bezaten in hun land van herkomst, hetgeen zij niet hadden gemeld.
Op grond van dit rapport werd de bijstandsuitkering per 1 augustus 2002 opgeschort vanwege een vermoeden van fraude. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellanten tegen deze opschorting ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat het bijstandverlenend orgaan op goede gronden een gegrond vermoeden kon hebben dat het recht op bijstand niet langer bestond, vanwege de schending van de inlichtingenplicht.
De Raad benadrukt dat het in dit geding alleen gaat om de rechtmatigheid van de opschorting en niet om de exacte omvang van het vermogen. De Raad vertrouwt erop dat het bestuursorgaan spoedig zal beoordelen of bijstand alsnog moet worden verleend of dat het recht daarop tijdelijk moet worden ingetrokken voor de periode van opschorting. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De opschorting van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.