ECLI:NL:CRVB:2005:AT6221
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitaties
Appellant, geboren in 1946, ontving vanaf 1 november 2002 een WW-uitkering. Over de periode van 3 tot en met 30 maart 2003 meldde hij op het werkbriefje dat hij slechts drie sollicitaties had verricht, verdeeld over twee weken, en in twee weken niet had gesolliciteerd. Naar aanleiding hiervan verlaagde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) zijn uitkering met 20% voor een periode van 16 weken wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze maatregel, maar dit werd door het UWV gehandhaafd. De rechtbank Breda verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd de vraag gesteld of de korting terecht was opgelegd. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV dat appellant onvoldoende had gesolliciteerd.
De Raad baseerde zich op artikel 27, derde lid, van de WW en het Maatregelenbesluit Tica, waarin staat dat bij onvoldoende sollicitaties een korting van 20% gedurende 16 weken wordt opgelegd, tenzij matiging op grond van bijzondere omstandigheden aan de orde is. De Raad vond geen reden om matiging toe te passen of af te zien van de maatregel. Ook het beroep van appellant op een nieuw criterium voor sollicitatieplicht, dat sinds 1 augustus 2003 geldt, was niet relevant voor de beoordeelde periode.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de korting op de WW-uitkering en wees het beroep van appellant af.
Uitkomst: De korting van 20% op de WW-uitkering gedurende 16 weken wegens onvoldoende sollicitaties wordt bevestigd.