ECLI:NL:CRVB:2005:AT6225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verwijtbare werkloosheid en weigering WW-uitkering bevestigd
Appellant was sinds december 2002 in dienst bij G.P.A. Nederland B.V. op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Vanwege onvoldoende functioneren kreeg appellant op 2 april 2003 een laatste kans om zijn functioneren te verbeteren, met duidelijke voorwaarden gesteld door de werkgever. De arbeidsovereenkomst werd uiteindelijk per 31 mei 2003 beëindigd, waarbij de werkgever stelde dat appellant zelf had opgezegd.
De Raad oordeelt dat de beëindiging niet door of met instemming van appellant heeft plaatsgevonden, maar door de werkgever vanwege onvoldoende functioneren. Hoewel appellant stelde dat hij depressief was en geen juridische stappen ondernam, is dit niet aannemelijk gemaakt met medische stukken. De Raad concludeert dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij zich zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit tot ontslag zou leiden.
De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit worden vernietigd wegens onjuiste motivering, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd en de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering gehandhaafd.