ECLI:NL:CRVB:2005:AT6720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering AAW- en WAZ-uitkering wegens onjuiste vaststelling bedrag
Appellante had bezwaar gemaakt tegen een terugvorderingsbesluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wegens te veel ontvangen AAW- en WAZ-uitkering over de periode 1997-1999. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat er geen dringende reden was om van terugvordering af te zien en het bedrag onverschuldigd was betaald.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom geen dringende reden aanwezig was en dat het teruggevorderde bedrag onjuist was vastgesteld, mede door een latere toekenning van een gedeeltelijke WAZ-uitkering over 1998. De Raad overwoog dat dringende redenen slechts kunnen bestaan bij onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen, hetgeen niet was gesteld of gebleken.
De Raad constateerde dat het teruggevorderde bedrag niet juist was omdat appellante over 1998 alsnog recht had op een gedeeltelijke uitkering. Daarom kon het bestreden besluit niet in stand blijven. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het Uwv werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot terugvordering wordt vernietigd en het Uwv wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.