ECLI:NL:CRVB:2005:AT6746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbare werkloosheid en bevoegdheid bestuursrechter bij weigering WW-uitkering en bovenwettelijke uitkering
Appellant was sinds 2 juni 1998 werkzaam bij Hogeschool Maastricht/Zuyd en verzocht de kantonrechter om ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst, welke op 1 oktober 2001 werd uitgesproken met een vergoeding van drie netto maandsalarissen. Na zijn aanvraag voor een WW-uitkering weigerde het UWV deze op grond van verwijtbare werkloosheid, omdat appellant zonder duidelijke noodzaak de ontbinding had verzocht.
De Raad onderschrijft de rechtbank dat de situatie tussen appellant en werkgever niet zodanig onaanvaardbaar was dat ontbinding onvermijdelijk was. De werkgever had zich naar het oordeel van de Raad soepeler opgesteld dan appellant stelde. Het hoger beroep tegen de weigering van de WW-uitkering wordt daarom afgewezen.
Ten aanzien van de bovenwettelijke uitkering, gebaseerd op de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Hoger Beroepsonderwijs (BWRHBO), oordeelt de Raad dat deze regeling privaatrechtelijk is en dat de bestuursrechter niet bevoegd is hierover te oordelen. De rechtbank had zich daarom onbevoegd moeten verklaren voor het beroep tegen de weigering van de bovenwettelijke uitkering. De Raad vernietigt dit deel van de uitspraak en veroordeelt de Stichting Hogeschool Zuyd tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Hoger beroep tegen weigering WW-uitkering afgewezen; rechtbank onbevoegd voor bovenwettelijke uitkering; gedaagde 2 veroordeeld tot proceskostenvergoeding.