ECLI:NL:CRVB:2005:AT6750
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Opleggen maatregel en terugvordering WW-uitkering zonder waarschuwing onvoldoende gemotiveerd
De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en een werkloze gedaagde over het opleggen van een maatregel wegens het niet tijdig verlengen van de registratie als werkzoekende bij het CWI, wat leidde tot verlaging van de WW-uitkering en terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.
De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig registreren verwijtbaar was, maar dat UWV had moeten onderzoeken of volstaan kon worden met een waarschuwing conform artikel 27, vijfde lid, van de WW. Dit onderzoek ontbrak, waardoor het besluit onvoldoende gemotiveerd was en vernietigd werd. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het UWV ook had moeten overwegen of sprake was van verminderde verwijtbaarheid, wat tot een lagere maatregel had kunnen leiden.
Feiten tonen aan dat gedaagde gedurende acht maanden niet geregistreerd stond, wat zij verklaarde door vergeten te zijn. Gedurende die periode solliciteerde zij intensief en volgde zij op eigen kosten opleidingen. UWV achtte de kans op gemiste bemiddelingskansen klein. De Raad veroordeelt UWV in de proceskosten en bepaalt dat een nieuw besluit met zorgvuldige motivering moet worden genomen.
Uitkomst: Het hoger beroep van UWV wordt afgewezen en het besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar waarschuwing en verwijtbaarheid.