ECLI:NL:CRVB:2005:AT6775
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbaarheid werkloosheid na ontslag en dienstverband bij familiebdrijf
Appellant werkte als visfileerder bij een werkgever te Urk van oktober 2000 tot mei 2002. Hij nam zelf ontslag zonder dat er zodanige bezwaren waren die voortzetting redelijkerwijs onmogelijk maakten. Vervolgens trad hij in dienst bij het bedrijf van zijn broer, waar hij tijdens de proeftijd wegens gebrek aan werk werd ontslagen. Appellant vroeg daarop een WW-uitkering aan, die werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank oordeelde dat appellant geen dringende reden had voor zijn ontslag bij de eerste werkgever en dat het risico van het nieuwe dienstverband voor zijn rekening kwam. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel en stelde vast dat de omstandigheden waaronder appellant zijn eerste dienstbetrekking beëindigde, geen rechtvaardiging boden voor het ontslag.
De Raad nam mee dat geen bewijs was geleverd van niet-betaling van loon of agressief gedrag dat het ontslag zou rechtvaardigen. Ook de stelling dat appellant pas ontslag nam nadat hij een contract bij zijn broer had, werd niet ondersteund door stukken. De Raad concludeerde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en bevestigde het bestreden besluit zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Appellant is verwijtbaar werkloos geworden en heeft geen recht op WW-uitkering.