ECLI:NL:CRVB:2005:AT6785
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitkering wegens onvoldoende voortvarendheid bij incasso vakantierechten
Appellant was tot 8 januari 2001 in dienst bij de werkgever, die op 24 april 2001 failliet werd verklaard. Appellant diende een aanvraag in voor overname van niet betaalde vakantierechten, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente. De werkgever verkeerde ten tijde van het einde van het dienstverband niet in betalingsonmacht.
Gedaagde wees de aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat appellant niet tijdig en adequaat zijn vorderingen had opgeëist. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk tijdig en gericht actie had ondernomen, waaronder schriftelijke aanmaningen en het uitbrengen van een dagvaarding binnen de gestelde termijn.
De Raad oordeelde dat appellant vanaf het moment van de eerste achterstandmelding op 11 augustus 2000 niet voldoende voortvarend en gericht heeft gehandeld. Pas op 21 maart 2001 werd een concept-dagvaarding gestuurd en op 20 april 2001 uitgebracht, wat te laat was. De Raad concludeerde dat de rechten van appellant niet uitsluitend wegens betalingsonmacht van de werkgever niet geldend konden worden gemaakt. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de uitkering wordt bevestigd.