Appellante was in dienst bij een B.V. en maakte afspraken over betaling van achterstallig loon bij beëindiging van haar dienstverband. Na faillissement van haar werkgever vroeg zij een faillissementsuitkering aan bij het UWV. Het UWV nam slechts een deel van de loonvorderingen over en wees de rest af wegens onvoldoende voortvarendheid van appellante.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht de beëindigingsvergoeding niet overnam, maar dat het onvoldoende onderzoek had gedaan naar het moment van betalingsonmacht. In hoger beroep stelde appellante dat haar aanvraag tijdig was gedaan na het faillissement.
De Raad concludeert dat de betalingsonmacht van de rechtsopvolger van de werkgever pas op de faillissementsdatum vaststond en dat appellante haar aanvraag tijdig heeft ingediend. Desondanks heeft zij onvoldoende voortvarend en gericht actie ondernomen om haar loonvorderingen eerder te innen. Daarom heeft zij geen recht op overname van het onbetaald gebleven loon over februari en maart 2009.
Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd en vervangen door deze uitspraak. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.