ECLI:NL:CRVB:2005:AT6786

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4745 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WWArt. 22a WWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WW-uitkering wegens niet nakomen inlichtingenplicht

Appellant, geboren in 1961, was arbeidsongeschikt en ontving een WW-uitkering vanaf 4 juni 2001 na een herziening van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage. Na ziekte en herstel werd de WW-uitkering per 28 november 2001 hervat. Gedaagde verzocht appellant meerdere malen om werkbriefjes te retourneren om het recht op uitkering te beoordelen. Appellant voldeed hier niet aan, waarna de uitkering werd ingetrokken.

De rechtbank oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht uit artikel 25 WW Pro had geschonden en dat de intrekking op grond van artikel 22a WW rechtmatig was. Ook was onvoldoende aannemelijk dat appellant de verzoeken niet had ontvangen, en werd het vertrouwensbeginsel niet geschonden.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, maar de Raad stelde vast dat appellant op de hoogte had kunnen zijn van zijn verplichtingen en dat de brieven hem hadden bereikt. Omdat appellant geen relevante inlichtingen verstrekte, was de inlichtingenplicht niet nagekomen. Er was geen sprake van een rechtens te honoreren vertrouwen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WW-uitkering wegens niet nakomen van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.

Uitspraak

03/4745 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht onder nummer SBR 02/1510, op 17 september 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 20 oktober 2004 heeft mr. A.K.J. Plaisier, advocaat te Rotterdam, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 30 maart 2005, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellant, geboren in 1961, was in het genot van een uitkering op basis van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In verband met de herziening van diens arbeidsongeschiktheid naar een mate van 15 tot 25% per 4 juni 2001, heeft appellant per die datum een WW-uitkering aangevraagd. Deze uitkering is hem per die datum toegekend. Op 27 juli 2001 is appellant ziek geworden in verband waarmee zijn WW-uitkering per die datum werd beëindigd. Op 28 november 2001 is appellant hersteld. Bij besluit van 4 december 2001 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat zijn WW-uitkering per 28 november 2001 herleeft.
Nadat appellant, na zijn hersteldmelding, een aantal zogenoemde werkbriefjes niet had geretourneerd, heeft gedaagde bij brieven van 14 januari 2002 en van 18 februari 2002 appellant verzocht om dit alsnog te doen met het oog op het vaststellen van diens recht op WW-uitkering. Bij die laatste gelegenheid heeft gedaagde aangegeven dat indien niet binnen twee weken zou worden gereageerd, de WW-uitkering zou worden ingetrokken of herzien.
Bij besluit van 12 maart 2002 heeft gedaagde vastgesteld dat het recht en de hoogte van de uitkering niet kan worden vastgesteld en dat het besluit van 18 juli 2001, waarbij aan appellant per 4 juni 2001 een WW-uitkering werd toegekend, per 28 november 2001 werd ingetrokken.
De daartegen gerichte bezwaren heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 15 juli 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant de inlichtingenplicht uit artikel 25 van Pro de WW heeft geschonden en dat gedaagde op grond van artikel 22a van de WW de uitkering per 28 november 2001 kon intrekken. De rechtbank was voorts van oordeel dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat appellant de brieven van 14 januari 2002 en 18 februari 2002 niet heeft ontvangen, terwijl de rechtbank evenmin van oordeel was dat er sprake was van schending van het vertrouwensbeginsel.
In hoger beroep heeft appellant zijn stellingen voor de rechtbank herhaald en heeft wederom betoogd dat hij aan de inlichtingenplicht heeft voldaan, dat hij niet op de hoogte was van de verplichting om de inlichtingen te verstrekken en dat de intrekking van het recht op WW-uitkering in strijd is met het vertrouwensbeginsel.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant op de hoogte had kunnen zijn van zijn verplichtingen met betrekking tot het verstrekken van de inlichtingen en dat het niet aannemelijk is dat de brieven van gedaagde van 14 januari 2002 en 18 februari 2002 appellant niet hebben bereikt. Aangezien appellant op geen enkele wijze enige inlichting heeft verstrekt over de voor de beoordeling van het recht op de WW-uitkering relevante periode vanaf 28 november 2001, vermag de Raad niet in te zien dat appellant zou hebben voldaan aan de op hem rustende inlichtingenplicht op grond van artikel 25 van Pro de WW. Met de rechtbank is de Raad ten slotte van oordeel dat niet is gebleken van een in rechte te honoreren vertrouwen dat door gedaagde zou zijn opgewekt.
Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P.W.J. Hospel.