ECLI:NL:CRVB:2005:AT6789
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Weigering afzien van terugvordering onverschuldigd betaalde WW-uitkering wegens ontbreken individuele belangenafweging
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Breda die het beroep van gedaagde tegen een terugvorderingsbesluit gegrond verklaarde. Het geschil draait om de terugvordering van een onverschuldigd betaalde WW-uitkering over de periode van 7 tot en met 11 april 1997, omdat gedaagde vanaf 7 april 1997 weer werkte.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door na bijna vijf jaar de uitkering terug te vorderen, waardoor het niet gehouden was tot terugvordering. De Centrale Raad van Beroep stelt echter vast dat het UWV terecht de uitkering heeft herzien op grond van artikel 36 van Pro de WW en dat de terugvordering verplicht is, tenzij dringende redenen aanwezig zijn.
De Raad benadrukt dat dringende redenen alleen kunnen bestaan bij bijzondere en uitzonderlijke omstandigheden die een individuele belangenafweging vereisen. In deze zaak zijn dergelijke omstandigheden niet gebleken. Ook het tijdsverloop van bijna vijf jaar is onvoldoende om af te zien van terugvordering, aangezien artikel 36 WW Pro dwingendrechtelijk is. Daarom vernietigt de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van de onverschuldigd betaalde WW-uitkering wordt ongegrond verklaard.