ECLI:NL:CRVB:2005:AT6819
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op loongerelateerde WW-uitkering bij toepassing overgangsregeling opzegtermijn
Appellant was algemeen directeur bij een bedrijf dat failliet werd verklaard. Na ontslag vroeg hij een WW-uitkering aan. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) kende hem een kortdurende WW-uitkering toe, omdat hij niet voldeed aan de vier-uit-vijf-eis voor een loongerelateerde uitkering.
De rechtbank vernietigde het besluit van het Uwv wegens een onjuiste wettelijke grondslag, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellant stelde in hoger beroep dat de opzegtermijn anders moest worden vastgesteld op basis van de overgangsregeling uit de Wet Flexibiliteit en zekerheid, waardoor zijn eerste werkloosheidsdag in 2001 zou vallen en hij recht zou hebben op een loongerelateerde uitkering.
De Raad oordeelde dat de overgangsregeling inderdaad van toepassing is op artikel 40 van Pro de Faillissementswet en dat de curator bij de opzegtermijn hiermee rekening moet houden. De opzegtermijn bedroeg zes weken en eindigde op 30 november 2000, waardoor de eerste werkloosheidsdag niet in 2001 valt. Appellant voldeed daarom niet aan de vier-uit-vijf-eis en kreeg terecht slechts een kortdurende WW-uitkering.
Verder stelde appellant dat eerdere dienstjaren bij een eigen transportbedrijf mee moesten tellen voor de opzegtermijn, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt. Ook werd gewezen op het ontbreken van bezwaar tegen het eerdere besluit over de opzegtermijn. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Appellant krijgt terecht slechts een kortdurende WW-uitkering omdat zijn eerste werkloosheidsdag niet in 2001 valt en hij niet voldoet aan de vier-uit-vijf-eis.