ECLI:NL:CRVB:2005:AT4656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt toepassing langere opzegtermijn voor oudere werknemers bij faillissement
De zaak betreft een geschil tussen het UWV en werknemers van een failliet verklaarde werkgever over de maximale termijn van de over te nemen betalingsverplichting van de werkgever. Het UWV had de betalingsverplichting beperkt tot zes weken, verwijzend naar artikel 64 van Pro de Werkloosheidswet (WW) en artikel 40 van Pro de Faillissementswet (Fw).
De Centrale Raad van Beroep heeft overwogen dat artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid, dat oudere werknemers (vanaf 45 jaar) een langere opzegtermijn garandeert, ook moet worden betrokken bij de uitleg van artikel 64 WW Pro in samenhang met artikel 40 Fw Pro. Dit betekent dat de overgangsregeling voor oudere werknemers geldt en dat de opzegtermijn niet beperkt mag worden tot zes weken.
De Raad verwierp het standpunt van het UWV dat de overnemingsverplichting beperkt zou zijn tot de zes weken genoemd in artikel 40 Fw Pro. De Raad benadrukte dat het niet aannemelijk is dat de wetgever de oudere werknemer deze bescherming zou onthouden. De uitspraak bevestigt het eerdere vonnis van de rechtbank dat de besluiten van het UWV moeten worden vernietigd.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten van de werknemers. De uitspraak benadrukt de bescherming van oudere werknemers bij faillissement en de juiste toepassing van overgangsrechtelijke bepalingen in het arbeidsrecht en socialezekerheidsrecht.
Uitkomst: Het UWV heeft ten onrechte de betalingsverplichting gemaximeerd op zes weken en moet de langere opzegtermijn voor oudere werknemers toepassen.