ECLI:NL:CRVB:2005:AT6915

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1386 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:75 AwbArt. 32 WUBOArt. 2 lid 2 WUBO
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Causaal verband gebitsklachten met kampverblijf tijdens Japanse bezetting

Eiser, erkend als burger-oorlogsslachtoffer wegens psychische invaliditeit, vordert een voorziening voor tandheelkundige kosten. Verweerster wees dit af omdat zij geen causaal verband zag tussen de gebitsklachten en het kampverblijf tijdens de Japanse bezetting.

De Raad onderzocht de medische adviezen en concludeerde dat er sprake is van een chronisch en progressief verloop van gebitsklachten sinds 1946, met voortdurende behandelingen en ernstige tandheelkundige problemen. Dit vormt een rode draad die wijst op een oorzakelijk verband met de oorlogssituatie.

De Raad verwierp het standpunt van verweerster dat alleen ernstige verslechteringen die grotere constructies vereisen, als rode draad gelden. Het bestreden besluit ontbeert een deugdelijke grondslag en wordt vernietigd. Verweerster moet een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak.

Daarnaast wordt het betaalde griffierecht aan eiser vergoed. De Raad handhaaft het uitgangspunt dat een rode draad van gebitsproblematiek een chronisch en progressief beloop moet vertonen ondanks regelmatige tandheelkundige zorg.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerster moet een nieuw besluit nemen waarbij het causaal verband tussen gebitsklachten en kampverblijf wordt erkend.

Uitspraak

04/1386 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 9 februari 2004, kenmerk JZ/F70/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogs-slachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 april 2005. Aldaar is eiser niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren op 9 november 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, is in 1997 op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet.
In november 2002 heeft eiser bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een voorziening in de kosten van tandheelkundige behandeling.
Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 6 november 2003 omdat eiser niet vanwege zijn oorlogsinvaliditeit is aangewezen op de gevraagde voorziening.
Verweerster is tot dit standpunt gekomen op de grond dat weliswaar door de jaren heen sprake is van gebitsbehandeling, doch niet van abnormale/afwijkende behandelingen. Onder deze omstandigheden acht verweerster een causaal verband tussen eisers gebitsklachten en de door hem meegemaakte oorlogscalamiteiten - te weten langdurige internering in verschillende Japanse interneringskampen - niet aanvaardbaar.
Dit standpunt heeft verweerster bij het nu bestreden, na bezwaar genomen, besluit gehandhaafd. Hierbij is nader overwogen dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat bij eiser sprake is van regelmatig terugkerende gebitsklachten die gaandeweg een verslechterende gebitsstatus veroorzaken, waardoor ongebruikelijke behandelingen noodzakelijk zijn geworden.
In bezwaar en beroep heeft eiser naar voren gebracht dat hij in 1945 met een ruïneus gebit - door zijn tandartsen ook als “kampgebit” aangemerkt - uit het kamp is gekomen, en dat hij sedertdien wel degelijk in ernst toenemende gebitsklachten heeft gehad.
In dit geding staat ter beantwoording de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting hanteert verweerster in gevallen als het onderhavige - waarbij het gaat om langdurig kampverblijf tot en met het veertiende jaar - als uitgangspunt, dat een causaal verband tussen gebitsklachten en kampverblijf alleen is te aanvaarden indien sprake is van gebitsproblemen door de jaren heen waarbij tijdens en/of vanaf de oorlog duidelijke langdurige tandheelkundige problematiek aanwezig is geweest. Hierbij moet het gaan om een tandheelkundige ziektegeschiedenis die een chronisch en progressief beloop heeft ondanks regelmatig onderhoud en tandartsenzorg.
De Raad acht dit uitgangspunt, overeenkomstig zijn eerdere rechtspraak op dit punt, niet in strijd met een redelijke uitleg en toepassing van het bepaalde in de artikelen 32 en 2, tweede lid, van de Wet. Dit uitgangspunt impliceert, naar de Raad heeft onderschreven in zijn uitspraak van 9 december 2004, nrs. 03/4850 WUBO en 03/4851 WUV, LJN AR7678, dat het vanaf jeugdige leeftijd bij voortduring plomberen van gaatjes in het gebit als gevolg van cariës nog niet kan gelden als een zogenoemde rode draad van gebitsproblematiek die wijst op een causaal verband met kampverblijf.
In het onderhavige geval heeft verweerster in het kader van de primaire behandeling van de aanvraag haar tandheelkundig adviseur, de tandarts M. Schächter, verzocht om haar te adviseren over de vraag of hier van een “rode draad” van gebitsproblematiek in voor-melde zin kan worden gesproken. Genoemde adviseur heeft deze vraag, mede op basis van de resultaten van een door de arts G. Kho in maart 2003 ingesteld medisch onderzoek van eiser, tot driemaal toe - in uitvoerig gemotiveerde adviezen van 29 maart, 13 juli en 29 september 2003 - bevestigend beantwoord. In het laatstgenoemde advies is daartoe, in aansluiting aan en onder samenvatting van de eerdere adviezen, aangegeven dat reeds in 1946 de dentitie van eiser is gesaneerd, dat sedertdien voortdurend behandelingen noodzakelijk waren, dat in 1976 alle vullingen opnieuw zijn gelegd en dat er desondanks gebitsproblemen bleven gekenmerkt onder andere door afbrokkelende kiezen en zenuwbehandelingen.
De Raad heeft in de voorhanden gegevens geen aanknopingspunt gevonden om aan de juistheid van dit, op het voormelde uitgangspunt van verweerster toegesneden tandheel-kundige oordeel te twijfelen. Dit oordeel geeft aan dat bij eiser meer aan de hand is geweest dan het alleen maar vullen van gaatjes in verband met cariës en dat sprake is geweest van een chronisch en progressief verloop van de gebitsklachten. Hieraan doet niet af dat de tandheelkundig adviseur van verweerster in bezwaar tot een andere opvatting is gekomen, dit op basis van de gedachte dat bij eiser niet is gebleken van zodanig ernstige verslechteringen dat grotere constructies noodzakelijk zijn geworden. De Raad ziet dit laatste als een, ten opzichte van voormeld door de Raad aanvaardbaar geoordeeld uitgangspunt, gestelde aanvullende en verzwarende eis, welke met een redelijke uitleg van de artikelen 32 en 2, tweede lid, van de Wet niet meer is te verenigen.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat verweerster ten onrechte heeft geoordeeld dat de gebitsklachten van eiser niet in het door de Wet vereiste causale verband staan met de ondervonden oorlogscalamiteiten. Het bestreden besluit ontbeert mitsdien een deugdelijke grondslag en kan om die reden, als strijdig met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet in rechte standhouden.
De Raad is, ten slotte, niet gebleken van kosten, aan de zijde van eiser gevallen, welke voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit op bezwaar zal nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser het in dit geding betaalde griffierecht ad € 35,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2005.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.
HD
19.05