ECLI:NL:CRVB:2005:AT7333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overgangsrecht ziekte-uitkering onderwijs- en onderzoekspersoneel
Gedaagde, voormalig werknemer van de Rijksuniversiteit Groningen, ontving sinds zijn ontslag in 1993 een uitkering op grond van het SBK-II. Met de inwerkingtreding van het BWOO in 1994 werd het wachtgeldstelsel vervangen door een werkloosheidsuitkeringssysteem zonder bijverdienmogelijkheid. Appellant paste vanaf 1 oktober 2001 de anticumulatiebepalingen van het BWOO toe op de ziekte-uitkering van gedaagde.
De rechtbank vernietigde dit besluit, stellende dat gedaagde recht had op de oude regeling vanwege de bijverdienmogelijkheid en dat appellant onvoldoende had onderzocht of gedaagde zonder ontslagdreiging was vertrokken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de SBK-II-garantie alleen betrekking heeft op hoogte en duur van de uitkering en niet op de regeling zelf.
De Raad stelde vast dat de ziekte van gedaagde na 28 februari 1994 is ontstaan, waardoor het overgangsrecht van het BWOO van toepassing is. Er waren geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de oude regeling bleef gelden. Het bestreden besluit van 23 juli 2001 werd daarmee in stand gehouden en het beroep van gedaagde ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.