ECLI:NL:CRVB:2005:AT7514
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbaarheid werkloosheid na ontbinding arbeidsovereenkomst en weigering WW-uitkering
Appellant was in dienst bij een werkgever en verloor zijn account, waarna hij zich ziekmeldde en later de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst verzocht. Na ontbinding vroeg hij een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs mogelijk was. Zowel de rechtbank als de Raad oordeelden dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden doordat hij zelf om ontbinding vroeg zonder dat er een acute medische of sociale noodzaak was.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat er wel een acute noodzaak was en dat het aanbod van een andere functie niet passend was. De Raad stelde vast dat medische rapporten geen arbeidsongeschiktheid aantonen en dat het aanbod van een andere functie aanwezig was. De Raad vond geen reden om de verwijtbaarheid te matigen of af te zien van de maatregel.
De Raad concludeerde dat appellant redelijkerwijs het dienstverband had kunnen voortzetten en dat de werkloosheid hem in overwegende mate valt te verwijten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken zonder acute noodzaak.