ECLI:NL:CRVB:2005:AT7756
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbare werkloosheid wegens niet tijdig melden langere afwezigheid tijdens vakantie
Appellante was werkzaam op basis van een tijdelijk contract dat liep van 5 april 2002 tot 3 februari 2003. Na haar werkperiode ging zij op vakantie naar de Dominicaanse Republiek met de intentie om op 18 januari 2003 terug te keren. Door de ziekenhuisopname van haar minderjarige dochter keerde zij echter pas op 6 februari 2003 terug en meldde zich toen weer bij haar werkgever. De werkgever beëindigde het dienstverband per 3 februari 2003 en weigerde de WW-uitkering omdat appellante haar werkgever niet tijdig had geïnformeerd over haar langere afwezigheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het voor rekening en risico van de werknemer is om de werkgever tijdig te informeren over een langere afwezigheid. Appellante stelde dat haar echtgenoot en vriendin de werkgever hadden geïnformeerd, maar hiervoor was onvoldoende bewijs. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en stelde vast dat appellante zich verwijtbaar had gedragen door geen direct contact met haar werkgever op te nemen.
De Raad concludeerde dat appellante terecht als verwijtbaar werkloos werd beschouwd en dat er geen omstandigheden waren die haar gedrag konden rechtvaardigen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd, zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De WW-uitkering werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid door het niet tijdig informeren van de werkgever over de langere afwezigheid.