ECLI:NL:CRVB:2005:AT7758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbaarheid bij blijvende weigering WW-uitkering wegens niet behouden passende arbeid
Betrokkene was sinds 1972 in dienst van haar werkgever en werkte sinds 2001 als medewerkster vergaderservice. Na een verzoek van de werkgever tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst en een daaropvolgend ontslag per 1 november 2001, vroeg betrokkene een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde de uitkering blijvend geheel omdat betrokkene verwijtbaar werkloos was geworden door haar gedrag.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en oordeelde dat de oorzaak van het ontslag zowel aan betrokkene als aan de werkgever was toe te rekenen, waardoor betrokkene niet in overwegende mate verwijtbaar was. De uitkering werd gedeeltelijk geweigerd door verlaging van het uitkeringspercentage.
In hoger beroep bevestigt de Raad dat betrokkene niet de inschikkelijkheid heeft getoond die van haar verwacht mocht worden bij veranderingen in de bedrijfsvoering en na ziekte. Hoewel de werkgever niet alle belangen van betrokkene voldoende heeft meegewogen, is er sprake van verwijtbaarheid aan haar zijde. De Raad verklaart het hoger beroep van het UWV niet-ontvankelijk en bevestigt de gedeeltelijke weigering van de uitkering.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard en de gedeeltelijke weigering van de WW-uitkering wordt bevestigd.