ECLI:NL:CRVB:2005:AT7943
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens verblijf en verzekering in het Verenigd Koninkrijk
Appellant, een profvoetballer, vertrok medio 1996 met zijn gezin uit Nederland en woonde vervolgens vier jaar in het Verenigd Koninkrijk, waar hij werkzaam was op basis van een tijdelijk contract. Na afloop van dit contract en mislukte sollicitaties bij Engelse clubs keerde hij in augustus 2001 terug naar Nederland en vroeg hij een WW-uitkering aan met ingang van 1 juli 2001.
De aanvraag werd afgewezen omdat appellant op dat moment onder de sociale verzekeringswetgeving van het Verenigd Koninkrijk viel, dat als bevoegde lidstaat werd aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
De Centrale Raad oordeelde dat appellant zijn woonplaats in het Verenigd Koninkrijk had, waar zich ook het centrum van zijn belangen bevond, gezien het langdurige verblijf, het opzeggen van de huurwoning in Nederland en uitschrijving uit het bevolkingsregister. De Raad verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat een vergelijkbare zaak een korter verblijf in het buitenland betrof.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep van appellant af, zonder toekenning van proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De afwijzing van de WW-uitkering wordt bevestigd omdat appellant zijn woonplaats in het Verenigd Koninkrijk had.