ECLI:NL:CRVB:2005:AT8266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Verwijtbare werkloosheid wegens onbehoorlijk gedrag jegens werkgever
Appellant was werkzaam bij een schoonmaakbedrijf en nam op 29 november 2000 ontslag. Hij trad per 8 januari 2001 opnieuw in dienst, maar werd op 25 januari 2001 met onmiddellijke ingang ontslagen. De kantonrechter verklaarde dit ontslag nietig, maar beperkte de loondoorbetaling wegens het gedrag van appellant jegens de werkgever en diens weigering om arbeid te verrichten.
Het UWV weigerde de WW-uitkering vanaf 26 april 2001 blijvend omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door geweld tegen zijn werkgever. Na bezwaar handhaafde het UWV dit besluit. In hoger beroep stelde appellant dat het UWV onvoldoende had onderzocht of het dienstverband zonder zijn gedrag was voortgezet.
De Raad overwoog dat appellant na een conflict over loon op 25 januari 2001 weigerde zijn werkzaamheden te hervatten en in een dreigende sfeer een ontslagbrief werd opgemaakt. De Raad concludeerde dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden en dat de weigering van de WW-uitkering terecht is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WW-uitkering wordt blijvend geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.