ECLI:NL:CRVB:2005:AT8452
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving tot 1 december 2000 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Deze uitkering werd beëindigd omdat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner. Na beëindiging vroeg zij opnieuw bijstand aan, maar deze aanvraag werd afgewezen omdat zij niet aannemelijk maakte dat de omstandigheden waren gewijzigd.
De Raad oordeelt dat appellante onvoldoende heeft bewezen dat zij niet langer haar hoofdverblijf had in de woning van haar partner. Ondanks haar stelling dat zij vrijwel iedere nacht op een ander adres slaapt, blijkt uit eerdere verklaringen dat zij regelmatig in de woning van haar partner verbleef, het huishouden deed en de paarden verzorgde.
Daarom is de gezamenlijke huishouding niet beëindigd en is de aanvraag voor bijstand terecht afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de bijstandsuitkering bevestigd.