ECLI:NL:CRVB:2005:AT8534

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1049 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.G.M. Simons
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Algemene bijstandswet
Verwijzingen
1 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand

Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor kosten van rechtsbijstand, waaronder juridisch advies, postzegels en kopieën, tot een bedrag van €4.775. Deze aanvraag werd door het College van burgemeester en wethouders van Groningen afgewezen en deze afwijzing werd door de rechtbank bevestigd.

Appellant voerde aan dat hij procedures had aangespannen om aan te tonen waar de schuld lag van het mislukken van een door de gemeente toegezegde managementopleiding en tekortschieten in arbeidsbemiddeling. De Raad stelt dat het bestuursorgaan moet beoordelen of de procedures noodzakelijk zijn en dat de betrokkene dit moet onderbouwen.

De Raad oordeelt dat appellant niet heeft aangetoond dat de procedures noodzakelijk waren. Ook speelde mee dat de kosten al waren gemaakt toen de aanvraag werd ingediend, wat bijstandverlening belemmert. Daarom bevestigt de Raad het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand omdat de procedures niet noodzakelijk zijn en de kosten al gemaakt waren.

Uitspraak

E N K E L V O UD I G E K A M E R
04/1049 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 14 januari 2004, reg.nr. 02/1183 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 mei 2005, waar appellant is verschenen en waar gedaagde - met voorafgaand bericht - zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Op 3 juli 2002 heeft appellant een aanvraag bij gedaagde ingediend om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet in de kosten van rechtsbijstand (juridisch advies, postzegels, telefoonkaarten, onderzoeksreizen, kopieën van stukken, schrijfwaren en licht- en stookkosten) tot een bedrag van € 4.775,--.
Bij besluit van 20 augustus 2002, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 november 2002, heeft gedaagde de aanvraag afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank beroep tegen het besluit van 22 november 2002 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Gedaagde heeft appellant in de gelegenheid gesteld een managementopleiding te volgen. Als gevolg van interne problemen bij de stichting die de opleiding zou verzorgen, is de opleiding niet van de grond gekomen. In de loop van 1990 is komen vast te staan dat de opleiding er niet zou komen. Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde, aldus appellant, hem toegezegd te zullen bemiddelen bij het vinden van werk. Hij heeft echter geen werk gevonden. Sindsdien heeft appellant diverse procedures aangespannen teneinde aan te tonen waar (bij wie) de schuld van het mislukken van de opleiding ligt. Tevens heeft hij daarmee getracht aan te tonen dat gedaagde ernstig tekort is geschoten in de toegezegde arbeidsbemiddeling.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient het betrokken bestuursorgaan in een geval als het onderhavige aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval vast te stellen of de procedures in de kosten waarvan bijzondere bijstand wordt gevraagd, noodzakelijk zijn. Daarbij ligt het op de weg van de betrokkene om de beweerde noodzakelijkheid van de procedures van een toereikende onderbouwing te voorzien.
Ook naar het oordeel van de Raad is appellant daarin niet geslaagd. Al hetgeen appellant in bezwaar, in beroep en in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat het gaat om noodzakelijkerwijs te voeren procedures.
De rechtbank heeft het derhalve terecht geoordeeld dat gedaagde bijzondere bijstand in de kosten van deze procedures heeft geweigerd.
De Raad wijst er overigens op dat de aanvraag is gedaan op een moment waarop de kosten al (lang) waren gemaakt, welk gegeven eveneens aan bijstandverlening in de weg staat.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet tenslotte geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) M. Pijper.