ECLI:NL:CRVB:2005:AT9167
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- R.M. van Male
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens vermogen boven vermogensgrens
Appellante en haar echtgenoot ontvingen een bijstandsuitkering volgens de Algemene bijstandswet (Abw). Na een strafrechtelijk onderzoek naar vermeende illegale activiteiten van de echtgenoot, waarbij onder andere contant geld, luxe goederen, sieraden, auto's en een paard werden gevonden, stelde de gemeente een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstand.
De gemeente besloot op 7 november 2002 de bijstand over de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 september 2002 in te trekken en de kosten van bijstand terug te vorderen, omdat het vermogen van appellante en haar echtgenoot de vermogensgrens overschreed. Appellante voerde onder meer aan dat de gemeente geen gebruik mocht maken van informatie uit het strafrechtelijk onderzoek en dat sommige goederen aan derden toebehoorden of met leningen waren gefinancierd.
De Raad oordeelde dat het gebruik van de strafrechtelijke informatie niet onrechtmatig was en dat het vermogen van appellante en haar echtgenoot ruim boven de vermogensgrens lag, ongeacht de herkomst van de goederen. Ook werd het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen. De intrekking en terugvordering waren daarom terecht. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Arnhem werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens vermogen boven de vermogensgrens worden bevestigd.