ECLI:NL:CRVB:2002:AE3170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging bijstandsuitkering wegens onduidelijkheid over vermogen
Appellant ontving een aanvullende bijstandsuitkering en werd geconfronteerd met een besluit tot beëindiging van deze uitkering op grond van vermeend vermogen op buitenlandse bankrekeningen. De gemeente stelde dat appellant beschikte over spaartegoeden in Marokko die het vrij te laten vermogen aanzienlijk overschreden.
Appellant stelde dat de tegoeden niet zijn eigendom waren en dat hij er niet over kon beschikken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het vermogen niet was afgenomen en appellant dus boven de vermogensgrens zat. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat er onvoldoende feitelijke grondslag was om vast te stellen dat appellant op 1 april 1997 daadwerkelijk beschikte over vermogen boven de grens.
De Raad overwoog dat appellant wel nalatig was in het tijdig informeren van de gemeente over de spaartegoeden en dat het gebruikte bewijs niet onrechtmatig was verkregen. Desondanks werd het besluit vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. Tevens werden proceskosten toegewezen aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de bijstandsuitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van vermogen boven de vermogensgrens, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.