ECLI:NL:CRVB:2005:AT9362
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Weigering ziekengeld aan werkneemster wegens niet-arbeidsongeschiktheid na bevalling
In deze zaak gaat het om een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om ziekengeld te weigeren aan een werkneemster vanaf 15 mei 2001, omdat zij niet ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid als gevolg van haar bevalling of zwangerschap. De werkgever maakte bezwaar tegen dit besluit, maar werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard als belanghebbende.
De rechtbank Utrecht vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het bezwaar gegrond. Het UWV kwam in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overweegt dat artikel 2a van de Ziektewet, dat de werkgever uitsloot als belanghebbende bij besluiten over arbeidsongeschiktheid van de werknemer, per 1 maart 2003 is vervallen. Sindsdien is het algemene belanghebbende-begrip van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit betrekking heeft op de beoordeling van arbeidsongeschiktheid en dat ten tijde van het besluit artikel 2a nog van kracht was. Daarom was het correct om de werkgever niet als belanghebbende aan te merken en het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. De eerdere uitspraak wordt vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.