ECLI:NL:CRVB:2005:AT9474
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit blijvende weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellant diende op 9 januari 2002 een aanvraag in voor een WW-uitkering. De uitkering werd aanvankelijk verstrekt, maar later bij besluit van 13 juni 2002 geheel geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn geworden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant geen verweer had gevoerd tegen zijn ontslag, waardoor hij verwijtbaar werkloos werd.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij met het ontslag had ingestemd vanwege het ontbreken van werk en dat de werkgever pogingen had gedaan hem aan het werk te houden. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat niet is vastgesteld dat er op het moment van ontslag daadwerkelijk geen werk was of dat de financiële positie van de werkgever zodanig was dat ontslag onvermijdelijk was. Tevens is geen onderzoek gedaan naar deze omstandigheden.
De Raad benadrukt dat gedaagde een eigen oordeel moet vormen over de bedrijfseconomische redenen en dat het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en moet gedaagde een nieuw besluit nemen, waarbij ook het verzoek om wettelijke rente in overweging wordt genomen. Tevens worden de proceskosten aan appellant toegekend.
Uitkomst: Het besluit tot blijvende weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en gedaagde moet een nieuw besluit nemen.